Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Grote Maarsseveense plas is een rechthoekige, diepe zandwinplas tot 30,5 meter diep, ontstaan als gevolg van zandwinning. Het gebied is een zwemwaterlocatie en er wordt in de plas gedoken. Het systeem staat in open verbinding met de Maarsseveense Zodden (een petgatensysteem ten westen) en via de Zodden met de Kleine Maarsseveense plas. Feitelijk vormt het gezamenlijk één hydrologisch systeem. Om de plassen op peil te houden laat AGV in de zomer water in vanuit de Vecht, via de Maarsseveense Zodden. De plas wordt ook sterk gevoed met kwelwater uit het eerste watervoerende pakket. De kweldruk is zo groot dat vrijwel continu water het systeem uitstroomt in de richting van de Maarsseveense Zodden. Deze liggen direct tegen de veel lager gelegen Bethunepolder aan, waardoor water ondergronds in de richting van de Bethunepolder wegstroomt uit de Zodden.
Grote Maarsseveense Plas (NL11_3_8) heeft watertype “matig grote diepe gebufferde meren” (M20) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 61 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3360-EAG-11 (Polder Maarsseveen-Westbroek, Grote Maarsseveensche Plas)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) Stichtse Vecht. Het waterlichaam Grote Maarsseveense Plas heeft de status KRW waterlichaam en zwemwaterlocatie en is in eigendom van Recreatie Midden Nederland.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –goed
De toestand in Grote Maarsseveense Plas (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is goed. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Vis. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Massafractie Visgroep - brasem en karper (BK).

In de Maarsseveense plas worden veel submerse soorten waterplanten waargenomen, waaronder een aantal zeer zeldzame zoals Nitella hyalina. Een hoop soorten zijn echter verdwenen of afgenomen in bedekking gedurende de afgelopen 10 jaar. De ontwikkeling naar minder soorten en algemenere soorten wijst op een achteruitgang van de ecologische kwaliteit. Ditzelfde is te zien bij de visstandontwikkeling (bestandsschattingen in kg/ha) tussen 2006 en 2015. De brasembiomassa neemt toe en snoek dunt uit, samen met de gewenste soorten, zoals paling (Anguilla anguilla) en baars (Perca fluviatilis). Deze verandering draagt bij aan (en wijst op) een troebeler lichtklimaat in de ondiepe submerse zone, omdat brasem een bodemwoelende vis is. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont geen trend. De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.21 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een positieve trend (0.13 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstofconcentraties vertonen gedurende de afgelopen 15 jaar een stijgende trend (achteruitgang), maar concentraties blijven lager dan het gestelde doel. Fosfor neemt ook toe en gaat achteruit gedurende de afgelopen planperiode (2015-2020).

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de matige kwaliteit is op dit moment nog niet geheel duidelijk. Incidenteel is er sprake van belasting met fosfor vanuit de Maarsseveense Zodden (met name in een droge periode of bij veel wind). Waarschijnlijk is dit de oorzaak van (beperkte) blauwalgenbloeien in 2018. Droge zomers zullen vaker gaan voorkomen. Daarnaast levert de kwel veel fosfor (P) en ijzer (Fe). De P-concentratie in het grondwater is in de periode 2014 – 2019 verdubbeld naar 0.19 mgP/l. De Fe-concentratie nam toe met 50% tot 8.8 mg/l, dus de Fe/P-ratio daalt en daardoor wordt het risico op nalevering van fosfor groter. De waterbodem wordt steeds vaker periodiek zuurstofloos waardoor deze P loskomt van Fe. Dit verhoogt de P-vrachten uit waterbodem en kwel.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen richten zich vooral op het tegengaan van de externe fosforbelasting (bijvoorbeeld door de hoeveelheid inlaatwater te beperken en de hoeveelheid voedselrijke kwel beperken door een hoger peil in te stellen) en het verminderen van de interne fosforbelasting vanuit de waterbodem. Daarnaast zijn er ook maatregelen voor het verbeteren van de habitatomstandigheden (bijvoorbeeld door het aanleggen van ondiepe zones en het verwijderen van boom- en struikopslag).

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water is nu goed, maar staat onder druk: chlorofyl-A concentraties (algen) liggen praktisch altijd onder de detectiegrens. Toch is een achteruitgang te zien in de KRW-score op de vegetatiemaatlat. In 2005-2008 en 2017 zijn pieken te zien in het fosforgehalte in de plas. De actuele belasting is laag (0.8 mg/m2/d), maar kan periodiek hoger worden als er water vanuit de zodden de plas instroomt. De zuurstofconcentraties nabij de waterbodem zijn zeer laag, waardoor de waterbodem fosfor nalevert. De belasting vanuit de kwel is vele malen hoger dan de belasting vanuit de Maarsseveense zodden. Duikers ervaren onder de spronglaag een troebele bruin-gele soep en op grotere diepten een depositie van slib. Zolang er geen menging plaats vindt over de spronglaag die ’s zomers op 8 meter diepte ligt, blijft de waterkwaliteit boven de spronglaag altijd erg goed. Die menging krijg je vanwege de ligging en vorm van de plas alleen bij harde ZO-wind (of NW-wind, maar dat is een koude gure wind). ZO-wind gaat in de zomer doorgaans gepaard met veel zon en hoge temperaturen, de ideale mix in combinatie met nutriënten vanuit de diepte voor een algenexplosie en zelfs blauwalgvorming.
esficon Lichtklimaat voldoet, maar staat onder druk. Vertical extinctie neemt iets toe, maar het doorzicht neemt zichtbaar af tussen 2014 en 2019. Er valt wel meer dan 4% licht op 4+ meter waterdiepte. De vestigingsdiepte van waterplanten is groot: > 7 meter. Het lichtklimaat is op dit moment op orde: er valt voldoende licht op diepte en er is weinig aangroei van epifyten, maar er zijn dus signalen van achteruitgang.
esficon Productiviteit bodem vormt geen probleem.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem: Schaduw door bomen, het type beschoeiing en steile oevers in combinatie met een zeer beperkt ondiep areaal beperkt de ontwikkeling van emerse vegetatie.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. Vis kan er komen via een vispasseerbare stuw tussen de Maarsseveense zodden en de kleine Maarsseveense plas.
esficon Verwijdering vormt geen probleem.
esficon Organische belasting vormt geen probleem. Er zijn geen signalen voor zuurtstofgebrek in het epilimnion, wel in het hypolimnion.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem: er zijn geen potentiële verontreinigingsbronnen aanwezig in het gebied.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en .

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Flexibel peil als buffer Ooit beschreven als grondwatergestuurd peilbeheer (als de plas uitzakt, trekt deze meer grondwater aan). Door een flexibele compartimentering kunnen peilstijgingen in de Zodden en belasting van de Grote Maarsseveense Plas (GMP) en de Zodden verder worden geminimaliseerd. De GMP doet dienst als buffer, met een flexibeler peil (winter NAP -1,10 m) dan Zodden, waardoor de kwel op GMP zal afnemen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Weren voedselrijke kwel Deze maatregel start met de monitoring van de kwaliteit van het kwelwater op verschillende afstanden van de plas en op verschillende momenten. Uit eerdere metingen blijkt dat de kwaliteit verslechtert. De kwaliteit van kwel is variabel en wordt beïnvloed door menselijke activiteit. Het afdekken van de bodem van de plas met een ondoorlatende laag om wegzijging en de grondwaterinflux te minimaliseren zou een maatregel kunnen zijn als uit de metingen blijkt dat de belasting van de plas vanuit het kwelwater toeneemt. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Onderzoek naar het beperken van de interne belasting Grote Maarsseveenseplas (waterbodem) Om te bepalen hoeveel fosfor er vrij komt uit de waterbodem, moet helder worden op welke locaties de waterbodem zuurstof vraagt en hoe dik het bodemmateriaal is. Daarna kan de beste manier gevonden worden om nalevering uit de waterbodem tegen te gaan. Hier profiteren de Ouderkerkerplas en andere diepe plassen ook van. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Stuw plaatsen tussen de Grote Maarsseveense plas en de Maarsseveense zodden Het gaat om een automatische stuw of terugslagklep: water kan wel afvoeren vanaf de plas, maar niet aanvoeren vanuit de Maarsseveense zodden. Hiervoor is een wijziging van het peilbesluit nodig, zodat het peil in de zomer verder mag uitzakken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Tegengaan van nalevering uit de waterbodem Om nalevering uit de waterbodem tegen te gaan zijn verschillende maatregelen denkbaar. Mogelijke opties zijn baggeren, vastleggen van fosfor aan een sterk bindend medium, bedekken van de bodem met zand, zuurstoftoediening, toediening van nanobubbles met zuurstof. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken mogelijkheden flexibel peil in Grote Maarsseveense plas Het onderzoeken van de gevolgen van het in de Grote Maarsseveense plas laten fluctueren van het waterpeil op het omliggende oppervlakte- en grondwatersysteem Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon niet opnemen in SGBP3 Uitbreiding van het submers begroeibaar areaal Aan de westzijde of op plekken waar nu bomen staan: verwijderen van beschoeiingen en ontgraven van oevers om ondiepe zones te creëren. Ruimte aan de windluwe zijde is beperkt. Beperkte invloed op de soortensamenstelling van de vegetatie; enig effect op de visstand. Met Staatsbosbeheer stemmen we af wat waar mogelijk is en wie trekker van de maatregel is. 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Verwijderen van boom- en struikopslag langs de oevers van de Grote Maarsseveense plas De maatregel betreft het verwijderen van boom- en struikopslag langs de waterlijn. Bomen die onderdeel van het parklandschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden.Deze maatregel heeft ook invloed op de organische belasting (ESF7). We stemmen af met eigenaar Recreatieschap Stichtse Groenlanden hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Aangezien grondwater ook een belangrijke bron is wordt de kwaliteit van het grondwater ook onderzocht op meerdere afstanden (loodrecht tov de plas) in freatrisch grondwater en diepe grondwater. Er is bodemonderzoek nodig om de heterogenitet van de bodem in beeld te brengen en te kijken hoe zuurstof en fosfor zich gedraagd nabij de waterbodem en in te schatten of en waar het afdekken met zand, aluminium, PAC of baggeren zinvolle maatregelen kunnen zijn. Ook zijn er extra metingen van de grondwaterkwaliteit nodig om in beeld te brengen hoe dez zich in de toekomst zal ontwikkelen.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.